Skip to content

Nepal

[vc_row][vc_column][vc_column_text]

(Harry Coes)

 

 

Ik voel me goed, niet een beetje oké maar in topvorm terwijl ik tegelijkertijd mijn ogen amper open kan houden. Het is nacht en de grote airbus van Quatar brengt me van Kathmandu naar Doha hetgeen zo’n 6 uur slaap betekent maar zoals gezegd, ik ben in topvorm en wil het liefste opstaan om te getuigen. Helaas ontbreekt de religieuze overtuiging en misschien kan ik beter gaan zingen. Net op tijd komt er een warm doekje, eten en een flesje wijn. Zo is dat want Doha (Qatar) is nog ver en nergens dreigt gevaar dus kom maar met dat wijntje. De prachtige stewardess houdt me twee soorten voor en adviseert de Chileense en als ze lacht ben ik zeer gecharmeerd, eigenlijk meer dan dat.  Alsof alle hersencellen met witte cowboyhoedjes gaan slapen en die met zwarte cowboyhoedjes wakker worden. Het is een ongelukkig familie gen waar je niks aan kan doen, een vreemd spiegeltje. De manier waarop mijn verwekker met veel gevoel voor drama onwel vanaf een berg in Amerika naar het hospitaal werd vervoerd en daar met iedere verpleegster lachend op de foto staat. Dat dat allemaal niet gratis was deed niets af van het avontuur en de machtige momenten van écht goed voelen. Evenzo het frequent bezoeken van alle veteranendagen waar ie volgens militaire status recht op had en geen enkele blessure hem weerhield van wat-dan-ook. Blauwe dagen dus maar in tegenstelling tot mijn oude heer kan ik wél goed alleen zijn en begin ik cognitief de vele nieuwe indrukken van de laatste achttien dagen te overdenken.

Kathmandu-Nagarkot-Dhulikhel-Bhaktapur-Pokara-Chitwan en al die vele kleine berggemeenschapjes in het Annapurna massief worden sterke beelden van kristalheldere bergtoppen ver boven de wolken, vergezichten en koude maar indrukwekkende zonsopgangen. Misschien nog indrukwekkender zijn de gezichten en beelden van de duizenden mensen in de drukke heksenketel van Kathmandu city. Het schijnt mij een stad waarin je alles op alles moet zetten om te overleven en een toekomst op te bouwen. Drukte betekent behalve klandizie toch ook concurrentie maar er wordt opvallend veel gelachen en dat doen ze hier zonder enige vorm van cynisme, sarcasme of zelfs ironie. Uiterlijk lijken mensen positief in het leven te staan en dat verbaast me nog meer dan het feit dat er in de verkeerschaos van Kathmandu geen verkeersregels zijn. Bij navraag blijkt daartoe op sommige kruispunten een verkeersagent te staan. Oké en buiten die kruispunten? Daarbuiten moet je zelf een beetje uitkijken klinkt het logisch. Je fiets feitelijk voor je leven en moet daarbij rekening houden met hordes motoren, vrachtwagen spelende kinderen, kippen en heilige koeien. Ze rijden er links en op sommige kruispunten staat inderdaad de beloofde agent aanwijzingen te geven, daarbuiten mag rechts rijden ook zolang je maar geen heilige koe stoort die toevallig nét op een kruispunt wil snurken. Het went maar je moet als een gek kunnen anticiperen en vertrouwen hebben in de goden en medeweggebruikers. Dat laatste is belangrijk en doet ertoe want hoewel iedereen duidelijk zo snel mogelijk op de plaatst van bestemming wil arriveren is men ook bereid af te remmen als een ander écht dreigt te crashen. Het werkt echt bij het principe om je medeweggebruikers niet bewust in moeilijkheden te brengen. Iedereen weet dat flink claxonneren enorm opschiet maar toch zie ik daarover nergens irritaties of ongenoegen. Het onophoudelijke toeteren is ook niet bedoeld om je agressie te ventileren maar vooral te laten weten dat men eraan komt. De verkeersjungle slachtoffert hier toch drie expeditieleden die verdwalen en het Swayambunath tempelcomplex later bereiken. Dat is niet erg want rond de enorme stoepa groeperen verscheidene gebedshuizen en winkeltjes die allemaal een dakterras hebben waar je tegelijkertijd de skyline van Kathmandu als ‘s werelds hoogste bergen voor je ogen krijgt voorgeschoteld. Sprakeloos richt ik  mijn verrekijker naar de zes,-  en achtduizendmeter hoge toppen die zeer duidelijk zichtbaar zijn, gewoon vanaf een dakterras met een kopje gemberthee erbij! Dan zie ik dichtbij een black eagle cirkelen die nog dichterbij komt ook en ik kan de subtiele staart,-vleugelbewegingen waarmee de grote roofvogel zijn richting bepaalt bijna aanraken! In Pokhara hoor ik dat deze arend soms stukjes vlees uit de handen van paragliders aanneemt! Op dit moment zie ik wel tientallen zwarte arenden die boven de Bagmatirivier rondjes draaien, waarom dat is wordt een dag later duidelijker. In de tussentijd verdwaal ik echter in de smalle overvolle steegjes die vanaf het centrale Durbarplein alle richtingen opgaan. Een plattegrond met straatnamen is handig maar als de straten geen naam hebben wordt het puzzelen tot een mevrouw met kind op de arm raad weet maar haar baby heeft wel honger. Ik zie dat ze een junk is en ben hooguit bereid om wat melk voor de baby te kopen want geld gaat uiteraard direct naar de dealer. Dat is oké en we lopen naar een winkeltje waar ze twee grote blikken babyvoeding bestelt.

Ik wil alleen voor vloeibare melk betalen maar het wordt toch een blik en wat ze ermee doet is haar zaak. Ik ben nog steeds de weg kwijt en wordt opnieuw aangesproken door een jongeman met een tika (teken van goddelijke aanwezigheid) op zijn voorhoofd. Of ik wellicht verdwaald ben vraagt ie maar dat is natuurlijk totaal niet het geval, ik sta hier gewoon wat rond te kijken op een idioot druk knooppuntje van riksja’s, scooters en ossenkarren. Natuurlijk, hotel Thamel lijkt me ook wel een aardige route. De jongeman wijst glimlachend op een onooglijk zijstraatje dat blijkbaar uitkomt in Thamel en wenst me vriendelijk een goede tijd in Nepal. Het steegje leidt linea recta naar m’n hotel.

Bij de ingang van het tempelcomplex (Pashupatinath) aan de heilige Bagmatirivier schijnt iemand onwel geworden maar de persoon wordt dood uit een Rode Kruis jeep gedragen en op een gath aan de rivieroever gelegd. Zo’n gath is een trap die richting rivier gebouwd is als een soort stenen terrasje. Hierop worden dode mensen gecremeerd en op een zestal verbrandingsplaatsen zijn op dit moment goed te zien hoe dat ongeveer gaat. De oudste zoon van de overledene bouwt een mooi compact brandstapeltje rondom en spreekt een gebed uit waarbij hij ook wat hete kooltjes in de mond van het stoffelijke overschot legt. Uit het in doeken gewikkelde lijk blijven de voeten onbedekt en na hier en daar nog wat stro en hout te leggen wordt de stapel aangestoken. De naaste familie volgt het ritueel vanonder een schaduwrijk afdakje maar als toerist kan je gewoon langslopen en kijken zolang je maar niet ongevraagd foto’s maakt. Het ziet er allemaal heel relaxt en natuurlijk uit en na een uurtje branden, bijharken en vegen worden de resten simpelweg vanaf de gath in het stromende rivierwater geschoven. Tussen de zwemmende jongetjes en smakkende varkens in drijft alles zo’n beetje de kant op van de slimme roofvogeltjes die daar toevallig ook moeten zijn. Het is een continue proces aan de Bagmati maar vandaag wordt er ook een zeer amateuristische Bollywood film opgenomen. Dit is ongunstig voor de “heilige” of goede mannen (Sadhu) die met hun in wrongen gevlochten lange haren en beschilderde gezichten normaliter hier dé attractie zijn. Voor geld gaan ze met alle rangen en standen graag op de foto en daar zijn ze erg druk mee. Ik begrijp dat sommige hun drugverslaving ergens van moeten betalen maar vooruit, tussen de sjacheraars en nep asceten zal ook wel een enkele goede ziel zitten. Je kan het bedrog of opportunisme noemen maar je moet toch eten en de bedrijvigheid in zo’n stad is enorm. Voor de invaliden die zich met gympen aan hun handen letterlijk over de stoffige straat slepen lijkt thuiszorg een utopie. Buitenschoolse opvang ook trouwens maar de watervlugge kinderen die ik hier op straat zie ravotten gaan vermoedelijk ook niet allemaal naar school. Hun motorische basisvaardigheden zijn evenwel zeer goed ontwikkeld en ze jumpen en skippen als scheepsratten tussen de marktstalletjes bij de apentempel van Swayambunath. De iets oudere kinderen spelen softbal vanaf het trappenterras en een klein ventje moet alleen maar kijken waar de uitgeslagen bal ergens in de marktdrukte terechtkomt. Zelfs met m’n dure veraf bril met gepatenteerd Jo Durant detectiesysteem kan ik het niet volgen. De uitkijkpost van drie turven hoog detecteert met natuurlijk scherp zicht en vindt de bal keer op keer in no time terug. Behalve een plank als slaghout en een balletje is er niets dan een schitterende spelvreugde in hun ogen dat voldoende zegt. De meest verschillende beroepen zie je hier letterlijk naast elkaar en meestal op niet meer dan enkele vierkante meters aangestampte aarde onder een afdakje. Kleermakers, bedden- en kastenmakers, lassers, apothekers en tientallen autosloop,- annex garagebedrijfjes die gebroederlijk in elkaars zweetlucht arbeid verrichten, veelal blijmoedig en enthousiast. Ik begrijp dat er geen keus is maar waarom niet gewoon chagrijnig en cynisch zoals bij ons maar glimlachend en steeds bereid tot een praatje met een totaal onbekende? De beroepsgroep die ik vermoedelijk tot aan m’n laatste ademtocht zal herinneren zijn meteen de slechts betaalde ondanks hun opmerkelijke beroepstalent, de dragers! Voorlopig zie ik ze min of meer gelijkvloers met 50 kilo zware rijstzakken van het veld naar de voorraadschuur lopen maar vijftig kilo op je rug is toch min of meer overbelasting? Het blijkt dat de vijftigkilo zakken met 60 kilo rijst zijn gevuld en de te lopen aaneengesloten afstand  enkele honderden meters. Dé krachtpatser uit Vroomshoop haalde ooit een glorieuze krantenkop met iets minder dan dat maar hij was een judokampioen van 90 kilo en dit zijn mannetjes die min,- maar vooral meer hun eigen gewicht ettelijke keren van hot naar her slepen….aan een hoofdband!

Gewapend met redelijk afgeragde mountainbikes scheuren we voor zes dagen de Kathmanduvallei in en natuurlijk is dat mooi. Daar zijn boeken over maar eigenlijk moet je het voelen, je eigen zweet op de scherpe rotsachtige bergpaden zien druppelen, je pezen aan vermoeide spieren voelen trillen en ervaren hoe je afgevijlde huid aan de stenen blijft hangen na een verse sliding. Het gaat bijzonder lang goed en het zelfvertrouwen groeit tot ongekende hoogte waarin ik net als de gids in een keer over een snelstromend bergbeekje wil jumpen. Eigenlijk wil ik dat niet maar het bergbeekje ligt in een bocht en dan moet je razendsnel de verkeerde beslissing nemen. Tot dan toe zag ik vooral mooie salto’s met halve schroef en huidverlies van medecursist Wim maar met het voorwiel subtiel tussen twee verstopte onderwaterrotsjes geklemd gaat mijn achterwiel nu ook leuk de hoogte in. Ik kan de enkel wel direct koelen en meer dan een sneetje is er niet te zien.

De engel die enkele dagen eerder op m’n schouder zat moet een zuster hebben en dat zal ik even uitleggen. Omdat ik nooit en nooit meer alleen weg mag als ik niet voorzichtig ben bezweer ik mijn verloofde en kinderen alles wat daarvoor nodig is. Dus de fantastisch mooie afdaling tussen Dhulikhel en Bhaktapur ging bijzonder rustig want je moet geen risico’s nemen en met een rotgang naar beneden denderen want daar hou ik niet van. Het is onveilig en getuigt van het niet kunnen beheersen van ondoordachte primitieve impulsen vanwege iets volstrekt zinloos als bijvoorbeeld een shot adrenaline door je kadaver te voelen gieren (die met de zwarte cowboyhoedjes op) echter…

Ten gevolge van het enorm in de remmen te knijpen ontstond plotseling vingerkramp (dat kan inderdaad) zodat  ik tegen mijn uitdrukkelijke wil toch iets sneller afdaalde.

Toen blokkeerde het achterwiel en 4-6 seconden met een geblokkeerd achterwiel heuvelafwaarts over rotspad ploegen is tamelijk intens want je wil dan heel graag in het zadeltje blijven zitten vanwege dreigende huidproblemen en zo. Ik wíst niet dat het achterwiel blokkeerde en voor hetzelfde geld zat er een waterbuffel achterop maar eh, Houston we have a problem!! Ik voel akelige rotspuntjes en losliggende keitjes onder m’n voorwiel ratelen maar heb uiteindelijk alle geluk van de wereld en kan na amper een handvol zenuwslopende seconden gewoon afstappen.

Ik zie hoe de derailleur, ketting en een stuk van de achtercassette afgebroken en volledig vastgeslagen is tussen de voorbladen maar geef er niks om en kan alleen maar dom grijnzen. De resterende kilometers naar Bhaktapur zit ik in de volgjeep en krijg die grijns niet van m’n gezicht. Voel me springlevend maar bij een politie controlepost vraagt men of ik ziek ben en de agent wijst op m’n gezicht dat inderdaad opvallend bleek is. Ter verklaring wil ik m’n verkrampte vinger opsteken maar bedenk me net op tijd en we mogen door.

Net als bij de mountainbike trip door het Atlasgebergte heb ik ook nu geen fysieke problemen (behalve die kromme vinger dan) en sleep ik met oneindig veel vreugde mijn wijnflesje mee de bergen in. Vanaf de dakterrassen val ik zowat bewusteloos uit m’n stoel vanwege de even onbegrijpelijke als schitterende sterrenhemel boven me. Bijna dag in dag uit en jaar in jaar uit loer ik s ’avonds wel een half uurtje naar boven maar zo mooi als hier… Beurtelings in euforische verwondering, totaal onbegrip, apathisch of (indien geblesseerd) cynisch en defaitistisch. Wij zweven daar ergens tussenin als niet meer dan een toevalligheid of omdat God het wil? Niet eindeloos maar tijdelijk en als straks de zon explodeert en alles wat er over is vervolgens (implodeert?) tot er letterlijk niets meer is, wat dan? Dan is het donker en steenkoud maar waar komt die duisternis en koude dan vandaan? Ik krimp ineen bij de gedachte dat de hele oorspronkelijke ruimte vroeger letterlijk in een halve schoenendoos paste. In tegenstelling tot eender welk wereldprobleem onder vrienden (met wél een LTS diploma) kom ik hier nooit tot een pasklare oplossing en relativeer mezelf tot zandkorrelhoogte.

We zijn op trekking en daar heb je allerlei pasfoto’s en vergunningen voor nodig maar uiteindelijk mag je gaan wandelen en we beginnen met een enkele honderden meters lange, vrij steile klim omhoog. Wekenlang getraind om bergop mijn linkerbeen niet meer dan 70 graden te hoeven buigen maar moet deze techniek op 2.4 seconden na de start helaas bijstellen tot een hoek van zeker 45 graden per stap. Het uitzicht over de Kathmanduvallei is mooi, dat klinkt gereserveerd maar ik ben mijn geliefde woestijn niet zomaar ontrouw.

Als je niet wil achterblijven moet je mee omhoog en waar in Nederland beslist een loket is voor mensen die eisen dat de gemeente hen bergop faciliteert moet je hier vooral doorklimmen. Mensen met een anders liggend zwaartepunt melden zich tevergeefs bij het kreun,- en steunloket en moeten toch klimmen. Direct al wordt er flink aan de mueslirepen geknaagd en zelf ben ik toch wel lichtelijk teleurgesteld in de dragers die om 10:30 uur nog steeds geen aanstalten maken om koffie te zetten. Dat wordt een rood balletje achter de naam van de reisorganisatie te noteren en eventueel een serieus klaagschrift.

De route waarvoor we een permit hebben gaat via Phedi-Tolka-Ghandruk, is vrij mild qua hoogte maar gaat toch met veel klimmen en dalen gepaard ondanks dat de handjes feitelijk op de rug kunnen worden gehouden. Tot mijn vreugde mogen we regelmatig via wiegende hangbruggen over diepe kloven met redelijk stromende bergrivieren. Soms zien we enthousiast rafters onderlangs gaan die uit alle macht de slingerende rubberboot op koers willen houden. Ik hou daar niet van, veel te wild en er kan zo maar een gaviaal krokodil aan je peddel gaan hangen of spetteren. Wat moet je dan bij de verzekering zeggen?

….ik was aan het roeien en toen ging een Gaviaal er met mijn Jo Durant bril vandoor waardoor ik niks meer zag en na drie weken op de verboden hellingen van de Machapuchhre werd bekeurd maar kan ik daar wat aan doen?

Ter compensatie wandel ik elke mooie hangbrug drie keer langzaam op en neer of eet ik er m’n speciaal meegebrachte trekkersbrood. Gekocht in Pokhara en zeker 7 dagen houdbaar maar ook wel iets langer. Soms lunch ik met de groep maar een mooi mijmerplekje bij een hangbrug of ander vergezicht laat ik er niet voor onbenut. Je kan hier eigenlijk op elke steen gaan zitten en minutenlang genieten van vermoeide spieren en ongekende vergezichten waarmee de groene Kathmandu vallei  je ogen streelt. In aangename traagheid met de zon op je lijf niets anders doen dan luisteren naar de zachte wind en het stromende water. Opmerkelijk hoe alles wat thuis belangrijk was nu naar zeer verre achtergrond is verdwenen en nieuwe gedachten easy door je hoofd zweven. Na twee dagen toch maar weer een dagboekje bijhouden wat je vervolgens nooit meer zal herlezen.

In de ochtend worden we heel vroeg gewekt voor de zonsopgang op Nayapool waarvoor we eerst zo’n 40 minuten in het donker bergopwaarts moeten klimmen. Ik ben daar gisteren al geweest en de top beloont je met een prachtig uitzicht op vooral de nooit beklommen heilige Machapuchhre (6993m) die als een vissenstaart uit het wolkendek omhoog rijst. Door de verrekijker zie je soms hoe de elementen sneeuwflarden van de steile helling trekt en lijkt de verschrikkelijke kou bijna tastbaar. De enorme hoogte van deze blauwgrijze Himalaya top is even voor zonsopkomst misschien nog meer indrukwekkend en opnieuw huiver je onwillekeurig bij de gedachte hoe het daar is en wat het inhoudt om daar als mens te willen zijn.

Nayapool stroomt vol met misschien wel honderd(en) toeristen die zich opmaken voor de zonsopgang. Samen met twee Chinezen die ik helaas niet weg kan sturen zit ik op een grote steen ver onder de drukke Nayapool top. Vanaf hier heb ik een rustiger uitzicht op de “vissenstaart” en hoor ik geen mensen maar het is erg koud. Na zo’n 15-20 minuten diepvriesstilte en uitgedroogde ogen van het turen naar de scherpe contouren van deze Himalaya moloch weerklinkt boven ons opeens het enthousiaste geluid van eensgezinde bewondering over de opkomende zon. Heel even ben ik ervan overtuigd op een totaal verkeerde plaats te zijn maar na twee tergend koude minuten zie ook  ik hoe de top van Machapuchhre langzaam lichtoranje kleurt. Een streepje licht gloeit rood door de staalharde wolken en verbreidt zich met het rijzen van de zon.

Al met al vraagt een zonsopgang behoorlijk wat energie en ben ik blij dat ik eindelijk naar beneden mag. Voor de meute uit volg ik het smalle pad dat eindigt bij de kassa voor zonsopgangen (geen grap). Snelle voetstappen komen me achterop en ik stap opzij om twee jongens te laten passeren die lachend het smalle rotspad afrennen. Ze houden hun armen breed voor het evenwicht en proberen, springend van  steen naar steen elkaar in snelle behendigheid af te troeven. Het zijn jonge jongens maar ik houd er niet van om zo nonchalant je gezondheid te riskeren. Als ze vallen en met een ernstige beenwond naar hun moeder moeten bellen dan is het natuurlijk van ach en wee, we struikelden zomaar!

De boys scheuren de bocht om en het tempo is gevaarlijk hoog. Eigenlijk wil ik graag weten of ze vanaf de top tot de kassa onder m’n eigen score van 9:09 minuten zijn gekomen. Dit was hier gistermiddag immers mijn eigen eindtijd vanaf Nayapool. Ik heb daar nu spijt van maar op sommige parcoursjes ga je eigenlijk vanzelf hardlopen. Even prikkelt het heftig om toch de achtervolging in te zetten maar ik ken de formule (impuls + oude man + koude spieren = blessure). Plotseling zit het me opeens ook erg dwars dat ik 22 jaar eerder geen poging heb gedaan om Ayers Rock in Australie hardop te rennen. Die absurde rotsformatie in het centrum van down under vergt ook zo’n 10  minuten intensief hardlopen naar de top, tenminste voor de snelle hardlopers en dat is een nog mooier parcours. Waarom ging ik daar destijds eigenlijk wandelend omhoog? Ik kan het me niet meer herinneren en beklaag mezelf gedurende de resterende wandeling terug vanwege deze gemiste kans. (De Uluru top kan overigens ook wel 16 minuten hardlooptijd zijn geweest)

In de warme zon waar we eerder deze ochtend koud en klappertandend naar uitkeken is het nu aangenaam ontbijten met gemberthee, koffie en warme pannenkoeken. Onze zeven dragers serveren desgewenst ook warme Tibetaanse broodjes met honing of havermout. Ze ruimen ook weer af  en staan vervolgens als eersten grijnzend op het startteken te wachten. Op sportschoenen of sandalen maar zonder thermisch ondergoed of drievoudig uitschuifbare Nordic walking stokken. Ik kan goed met die jongens hoewel ik ze niet versta en hun leider doet me sterk aan mijn vroegere compagnie commandant denken. Die kent u zeker want het is de man die pal achter Beatrix en Claus stond tijdens de inhuldiging van onze Queen B.  Jonkheer Snoeck staat er als haar adjudant in zwart/rood galauniform mét sabel direct achter de majesteit. Een respectabel man die tijdens oefeningen graag een biertje met en tussen zijn soldaten dronk. Telkens als ik die beelden van de kroningsplechtigheid terugzie kijk je alleen naar lt. kolonel Snoeck en ga je vanzelf ook iets rechter zitten, nog steeds.

De leider van de dragers heet Onkel en moet absoluut een Gurkha soldaat zijn geweest. Het Nepalese regiment in Britse dienst was gedurende beide wereldoorlogen de schrik van vijandelijke grondtroepen maar dat weet ik pas nu. Op deze reis kom je heel veel informatie tegen over dit gevreesde regiment dat vooral met hun specifieke vechtmestechniek punten scoorden. Messen met een breed lemmet en rare kromming waarin precies je hals past, worden hier nog altijd met precisie gemaakt en dat is natuurlijk een jongetjesding. De dames daarentegen zullen zich na dagen van ingehouden koopinstincten gepassioneerd op de Yak wollen mutsen, Kasjmir en Pasmina shawls storten maar vooralsnog roept marsleider Onkel ons op voor weer een nieuwe wandeldag door het Himalaya Annapurna massief. Het klinkt als een militair bevel en op dezelfde manier vraagt ie ook of de thee goed is of misschien een deken voor de nacht wil! Met grote nauwkeurigheid ging ik natuurlijk voor de meest kind onvriendelijke wandelreis en Onkel past goed in het plaatje van doorklimmen Jantje anders zaag ik je andere voetje ook af. Dat is een grapje maar knorrige middelbare mannen hebben het al  moeilijk genoeg met hun zeurende vrouwen die  alsmaar ouder worden en dan doet je rug soms ook nog zeer. Soms hé maar nu niet want we zijn in topvorm en na een uurtje marcheren bereiken we een soort sprookjesbos waarin Rododendrons echte bomen zijn die behangen met mossen voor een aangename koelte zorgen. Het heldere bergwater stroomt van alle kanten uit de steile groene bergwanden en stort zich in een steeds machtiger stroom over oeroude rotsbeddingen naar beneden. Hangbruggetjes op plaatsen waar zonlicht bijna magisch door het spectrum van nevel en bladergroen fluistert. Je kan de euforie op zo’n plek eigenlijk niet goed aan, alsof je iets leent en dadelijk iemand wil afrekenen.

Dat is ook zo en de eerste 20 minuten dat de jongeman met zijn enorme rugzak naast me loopt negeer ik hem. Ja, natuurlijk kom jij uit Manchester zoals je zegt en ben je hier als Nepalees slechts op vakantie. Onder de kollossale rugzak zitten sandalen van maat 46 vastgeknoopt terwijl hij zelf hooguit maat 40 draagt. Of ik rijk ben wil ie weten maar het kost het me geen enkele moeite om dit beeld tot ongeveer pleistoceen diepte bij te stellen. Man, ik leef op trekkersbrood van zeven dagen oud en het water in m’n veldfles komt letterlijk vanaf een dak druppelen na de regenbui van gisteren. Beide is waar en ik deel het stuk trekkersbrood en lopen samen gebroederlijk verder. Harry is hier blijkbaar een nogal komische naam want net als Onkel en zijn dragers moet hij erom lachen. Van lachen gaan we over op zingen maar ik weet niet meer hoe deze aardige jongeman mij zover krijgt om hier een Duits liedje te willen zingen. Om beurten zingen we meer liedjes voor elkaar en prijzen uitbundig de zangkunst van de ander. Hij zingt hoog met veel variatie als een soort “jammeren” wat echter zeker niet negatief bedoeld is maar wel anders dan verwacht. Ik snap totaal niet meer waarom maar ik doe zelfs een serieuze poging om hem hierin te imiteren. Gelukkig worden we dan juist van het pad geschreeuwd door de begeleider van een tiental naderende beladen muildieren. Op dat moment slingert het pad tussen de neerstortende watermassa en steile rotswand trapsgewijs bergopwaarts en de dieren moeten hier achter elkaar blijven lopen. De zichtbaar sterke beesten lijken in niets op de beroemde Sallandse parkezels van  thuis maar zelfs het meelopende veulentje (zonder bagage) gromt en briest zich hier als een vervaarlijke Gurkha hengst omhoog. Hun sterke rechte ruggen dragen dozen Pepsi cola en  zakken cement naar hoogtes waar wij bij lange na niet zullen komen. Langs zulke paden moet hier letterlijk álles worden aangevoerd en niet alleen door muildieren maar ook door mensen.

Je leest over een specifiek gen  dat deze sherpa’s in staat stelt om beter dan wie ook te kunnen klimmen met ballast en je denkt dat het niet bestaat. Je traint immers alleen datgene wat je doet maar alle trainingsleer ten spijt is het niet te bevatten hoe deze tenger gebouwde mensen lasten naar boven kunnen torsen die niet zelden zwaarder zijn dan zijzelf. Ik zie dat ze het doen en niet lang geleden zou ik het dit dan ook zelf willen proberen maar waar topvorm moeilijke situaties makkelijk maakt omdat je de oplossing simpelweg beheerst daar ben ik nu overtuigd van naderend onheil. Niet doen dus en slechts bewonderend toekijken hoe ook onze eigen dragers met een soort snel schuifelpasje bergopwaarts gaan en met nog snellere huppel/dribbel bewegingen bergafwaarts gaan, met 20 á 25 kilo op hun rug! Wat is het dat dit hun zoveel makkelijker afgaat dan wie ook, timing, balans, coördinatie en kracht of toch dat veronderstelde genetische aspect?

Eenmaal door de groene Rododendron bossen ontdek ik pootafdrukken bij een waterpoel, pootafdrukken die volgens sommige reizigers van een panter kunnen zijn. Zelf denk ik aan een grote hond maar we worden het niet eens. Honden zijn een verhaal apart hier en vooral in de dorpen leven ze in roedels in hun eigen straat. Als toerist heb je er totaal geen last van maar zodra een andere roedel de verkeerde straat inloopt stuiven ze als één man op de indringers af en is het dreigen en vechten. Meestal liggen ze met z’n allen op de stoffige wegen een beetje te soezen of treiteren ze de langs waggelende eenden en ganzen die snaterend alle kanten op klapwieken. Ik zie geen enkel raszuiver exemplaar en misschien dat ze daarom ook op drie poten en één oor hun mannetje staan. Ze worden ook niet echt in de watten gelegd hier en zijn vooral hond! Dat waren ze ook in de woestijn van het Atlasgebergte maar bij gebrek aan eenden moesten daar dikke mountainbikers nogal eens klapwiekend op de pedalen. Ik had daar ernstig schrik van en de Rabiës spoot er zowat uit hun wegdraaiende ogen van enthousiasme. Dat is nu anders maar net als ik ergens mijn schaarse voorraad Roepies zit te tellen zie ik dat er toch iemand naar me staat te loeren, geen hondje maar een onguur type. Ongunstig maar niet meer dan dat je bijvoorbeeld tijdens het wildplassen wordt gespot. Even later duikt dezelfde vent weer op bij een hangbrug die ik over moet. Hij gaat me voor en zijn wandelstok is te kort voor wandelen maar geschikt om mee uit te halen. Bij onraad in de stad of café ga ik natuurlijk graag een blokje om maar nu niet. Hij wil iets van mij en staat aan de donkere kant op de hangbrug te loeren. Door m’n vroegere werk heb ik geen enkele moeite met wiebelige hoogtes en met het water beneden al helemaal niet. Ik kan het niet anders zeggen maar dit is wel mijn soort speeltuin en meer nieuwsgierig dan gespannen loop ik de brug over. De laatste meters wil ik hem ook wel direct aankijken en voel enige wedstrijdspanning maar die ebt snel weg.

Smoke sir, good Nepali smoke?

Nog diezelfde middag maak ik een iets benauwder moment mee en heb daarbij echt alle  geluk van de wereld als er plotseling wat rotsblokjes van de steile wand vallen. Ik hoor hoe boven me iets losgescheurd van de rotswand en ik kan behalve de rivier inspringen ook naar voren of terug rennen. Ik weet niet meer wat ik doe maar er landen toch redelijke stukken steen naast me op het pad. Dit is Nepal en er staan geen hekjes bij plotselinge dieptes en er kunnen dus ook spontaan steentjes vallen. Ja wat moet je ermee behalve dom grijnzen en genieten van je gave huid! Het verdwalen kan echt gênant zijn en daarom blijf ik op alle gezinsreizen direct achter mijn verloofde wandelen en beperk ik elke impuls tot vanwaar ik het hotel nog kan zien. Het schrikbeeld van een dolend gezin bij een droge waterput hangt voortdurend als een soort verantwoording boven me en zulke verantwoording is ondragelijk.

In je eentje niet weten waar je zit is alleen pijnlijk voor jezelf maar ook wel een beetje aangenaam. Je komt onvermijdelijk op splitsingen van paden en watertjes waarin je besluiten moet nemen. Kan het zijn dat de groep hier een kniehoge doorwading heeft gemaakt of is dit vergeten, groen overwoekerde hangbrugje de juiste route. Na het water probeer ik de roestige hangbrug en frummel ik me door de weelderige begroeiing over de plankieren. Er kraakt iets en er kruipt er een vreemd geschubd beestje met heel veel pootjes over m’n been. Zoals ik ooit zo’n 6 of 8 minuten redelijk eenzaam bovenop een wiebelig hek vastzat vanwege een binnendoor route richting de Vesuviustop zo zit ik ook nu met m’n broek ergens aan vast. Ook is het pijnlijk om op je gezicht te vallen doordat de veterlus van de ene bergschoen achter het haakje van de andere bergschoen blijft zitten. In je eentje is dat allemaal niet erg en bouw je het afgebrokkelde zelfvertrouwen wel weer op, goed om je eigen zwaktes te kennen. Iets anders is het met digitale communicatie. Je kunt eindeloos uitstel,- excuses vinden maar op een gegeven moment moet je sms’en en geld pinnen. Ik moet beide en terug in Pokhara slaag ik er wonderwel in om toch op het juiste moment verzenden in te drukken waarop het envelopje inderdaad weg fladdert. Amper een dag later sta ik oog in oog met een loensende geldautomaat. Argwaan van beide kanten en ik wil eerst zien wat hij doet zonder pasje. Het scherm knippert vals als ik ergens inprik en het ding lijkt geagiteerd maar gelukkig lees ik ook iets Engels. Vanwege het verrassingseffect heb ik bewust voor een slaperig tijdstip van 06:04 gekozen en wordt ik evenmin opgejaagd door mensen die blind kunnen pinnen. Ik controleer m’n  veraf,- en dichtbij brillen en neem de pinautomaatgevechtshouding aan. Diep inademen en tsak die pas erin, naar het scherm loeren en op knoppen duwen. M’n hartslag is ruim voorbij de anaerobe drempel en even is er een weeïg gevoel in de maag als het scherm begint te verkleuren en ik getallen met drie en vier nullen onderscheid. Koortsachtig bedenk ik dat het natuurlijk Roepies zijn maar hoeveel moet ik dan bestellen? Razendsnel verwissel ik van bril en ga met mijn hoofd op het scherm maar nu is het donker. Nerveus gooi ik m’n zonnebril weg af en wissel nogmaals naar een andere bril en spring op de withdraw toets. Er gebeurt niks maar dan herken ik de groenige oké knop en verdomd er komt een stapeltje geld uit de machine. Alsof ik zojuist uit de solitair kom sta ik buiten wezenloos naar de zwakke voetplaatsing van een vrouwelijke ochtendjogger te kijken maar ben te uitgeput om er iets van te zeggen. De hele operatie heeft nauwelijks 4 minuten geduurd en als de portier van het Crown hotel mij met de gebruikelijke, bijna militaire eer begroet voelt dat licht beschamend. Ik slof naar m’n kamer en ga in foetushouding op bed liggen, waar ben je zelfvertrouwen?

De komende 7 – 8 uur zitten we in de bus naar het aan India grenzende Chitwan wildreservaat. Sauhara heet het stoffige dorp vanwaar allerlei safari tochten vertrekken. Het hotel ligt aan een rivier welke een natuurlijke grens naar het wildpark vormt. Je kan daar ’s avonds erg alleen in het donker aan het water zitten en dat doe ik ook. De volgende dag zullen we met grote houten kano’s oversteken maar voorlopig stellen we ons tevreden met het kijken naar stoere toeristen die in de rivier op olifanten mogen zitten tijdens het wassen. De dikhuiden zijn zelfs voor Indische olifanten aan de grote kant en stappen vanuit mainstreet zo het water in. Aangestuurd door hun begeleiders gaan ze liggen en rollen ze op hun zij waarbij de meeste toeristen wel moeten afhaken. Poseurs met gebruinde spieren en vriendinnen in strakke bikini’s met een olifant als decor voor hun eigen show en even vrees ik dat zo meteen Barbie en Mike van tv rans zullen opduiken. Pure jaloezie want ik wil ook op zo’n olifant maar door mijn trage reageren zit er nu weer een badpak-oma op jumbo die echt hondsbrutaal voorkroop. Ik hoor de stem van mijn sponsor vals in m’n kop zagen, naargeestig, egoïstisch en intolerant mannetje….

Ik vindt er weinig meer aan en ga op pad voor een verkenning buiten het dorp. Misschien kan je net als bij strandstoelen in alle vroegte alvast een handdoekje op de beste olifant leggen, als teken dat ie bezet is en na een relaxt ontbijt verontwaardigd gaan doen als iemand op jouw olifant zit.

Hoog tijd voor wat nederigheid en al lopende kom ik elders bij dezelfde rivier en probeer de oever af te lopen. Je kan hier zelfs min of meer pootje badend oversteken. Het draait erop uit dat ik op een gegeven moment niet meer precies weet of ik nu binnen of buiten het wildpark loop. In elk geval moet ik enkele hekken over om vervolgens via een boerenerf naar een soort tuin dat weer aan een hotel hangt maar dan is het bijna donker.

Het restaurant waar ik zit is niet meer dan een omheinde marktkraam met twee walmende pannen en een kok. Over de aangestampte aarde kruipen kleine ratjes of grote muizen maar op de een of andere manier is dat niet storend. De twee olifanten die op minder dan twee meter voorbij sloffen horen simpelweg bij dit straatbeeld en hetzelfde geldt voor het groepje rokende mannen die gehurkt rond een kampvuurtje zitten. Ik ga er vanuit dat het goed zit met de vergunning inzake de plaatselijke milieuverordening. Hoe goed blijkt als plotseling de stroom uitvalt en er niks mis is met zo’n een vuurtje op straat. Niet alleen in het restaurant is het licht uit maar de halve straat zit in het donker. Ik verschuif eens wat op m’n stoel maar wat kan je verder ook? Er is ook nergens een spoor van paniek en met een aangestoken kaarsje is de ramp simpelweg beslecht. Alles gaat  gewoon door, het vuur onder de pruttelende pannen, de rokende mannen op straat en ook de olifanten kunnen zonder reflecterende hesje verder. Ik krijg ook gewoon mijn bestelde Dahl Bath en eigenlijk doet alleen m’n dure onderwater schrijvende Parker pen het boven water nogal slecht. De baas noteert met afgekloven potlood duidelijk de kosten van in totaal iets minder dan vier euro en zwaait me uit. Bijna ben ik de donkere straat uit als zijn zoon hijgend met mijn brillendoekje aan komt lopen. Dat had ik daar laten liggen en even weet ik niet wat ik moet zeggen. De jongen rent terug en natuurlijk keer ik terug om mijn waardering hierover te tonen. Ik besluit om nooit meer een fooi te geven aan vette obers die uitgebreid maar vruchteloos het kleingeld in hun beurs omhoog gooien voor het wisselgeld. De zeer lage maan hangt prachtig oranjerood boven Chitwan en vanuit het duister kijk ik over de stromende rivier naar het inktzwarte wildpark. Het geluid van cicaden is rondom en samen met de tientallen vuurvliegjes die als lichtjes door de tropische nacht cruisen een zeer fascinerend geheel. Je houdt je muisstil en draait je nek ongans om nergens niks te hoeven missen. De maan is bijna letterlijk aan te raken en je waant je alleen op de wereld. Er knort en schuift iets aan de overkant maar een krokodil zie ik nog wel aankomen hoop ik. Trage beesten ook en aan weerszijden moet nog ergens verse buffel liggen waar ie eerst doorheen kan knagen. Bijna ademloos luister ik naar al die verschillende geluiden waarin het getjirp van cicaden ontegenzeggelijk de boventoon voeren. Het is een warme nacht en ongetwijfeld business as usual in de jungle maar toch klinkt het allemaal heel sereen en vooral exotisch.

Door bewust nét naast je eigenlijke doel te kijken kan je de contouren ervan beter onderscheiden maar als ik in een opwelling die prachtige maan tussen duim en vinger wil pakken mieter ik m’n wijn omver. De fijne motoriek is na een half glas al niet meer wat het was. Dat brengt de gedachten onherroepelijk op de naderende dood maar wat zou het als je oudste zoon je vermoeide lichaam in een prettig zonnetje aan de oever van de Rapti kan opstoken, geen probleem maar nu nog niet. Nu probeer ik de oranje maan in m’n lege glas te manoeuvreren en wat er op dat moment gebeurt is niet direct te plaatsen en vooral heel erg vreemd.

Vanuit een van de hotels die zo’n honderd meter achter me liggen weerklinkt echter duidelijk hoorbaar muziek van Pink Floyd en dat verwacht je niet in een nachtelijk wildpark!

Een kraakheldere wish you where here onder de Nepalese sterrenhemel. Onmogelijke bizarre combinatie maar ook heel mooi!

Woord voor woord, noot voor noot vult de duisternis zich met trage momenten van muziek waarin alles past alsof het alleen hiervoor gemaakt is…

Ik zou in andere tijden een traantje kunnen laten maar in vorm werkt alles beter en alles wat ik doe is genieten. Met enige genoegdoening pis ik daarna fors tegen een bananenboom die zeker twee meter verderop staat en ik zie dat het goed is. De daaropvolgende 45 minuten was ik al m’n kleren, klem een stok passend tussen twee opengeklapte kastdeuren, hang de schone was erop en zet de plafond ventilator als droger aan. Liggend onder de klamboe voel ik mezelf wegglijden, weer geen letter gelezen over hardlopen.

Op onze eerste junglewalk krijgen we op fluisterachtige toon veiligheidsinstructies ten aanzien van chagrijnige neushoorns en wilde boskippen. Die kip zien we direct al en de spanning neemt dan toch toe. We lopen in kleine groepjes met gidsen langs het hoge olifantsgras en zien na amper 50m al een vers tijgerspoor in de vochtige kleigrond! Yes, sure he was here last night!

Dat moet een grapje zijn natuurlijk want vanaf deze tijgerpoot kan ik zowat letterlijk mijn eigen bananenboom zien staan. Daar zat ik vannacht met mijn kwetsbaren weke delen richting rivieroever gekeerd. Eerst denk ik dat die boswachters ‘s nachts hier zelf op tijgervoetjes wat aanpoten en vervolgens dat die Bengaalse tijgers natuurlijk lang niet zo groot zijn als hun Siberische soortgenoten en bovendien ligt de Rapti rivier er nog tussen.

We zijn in beginsel lacherig met houten kano’s het stromende water overgestoken en worden na de tijgerprint en wat herten nu opnieuw lastig gevallen door geritsel in het hoge olifantsgras.

Daar ergens zit een neushoornmannetje met een heel lage aaibaarheidsfactor want het geritsel wordt allengs woester waarbij duidelijk ook wat boompjes worden gekraakt. Van het begrip ritselen is dit overigens wel het grofste niveau en nu probeert de boswachter met knorgeluidjes een hitsig neushoornvrouwtje te imiteren. Het blijft op de knorgeluidjes na plotseling opvallend stil in het olifantsgras. Hoe gaat een 2000 kilo zware neushoorn reageren op de lokroep van een ontvankelijk vrouwtje? Doodstil staan we naar de diepere gevoelens van de neushoorn te luisteren.

Welke boswachter meent mij hier te moeten kwellen met het nabootsen van mijn onlangs overleden geliefde? Inderdaad ben ik na 12 maand volstrekte eenzaamheid toe aan een nieuwe relatie maar hoe zou u het vinden om onder dergelijke omstandigheden hoopvol de deur te openen voor helaas een stel lachende neushoorns welke de spot met u drijven? Het is niet alleen kwetsend en grievend maar ook infaam en abject…

Beschaamd vervolgen we onze jungletocht en ik heb het gevoel dat we worden nagestaard vanachter de gordijnen en alle kleine beestjes door hun moeders snel naar binnen worden geroepen als we door hun wijk lopen.

Vanwege de zowel verplichte wandelroute,- als formatie mag je niet gaan dwalen en wordt het verder een wat landerig wandeltochtje. We staan met onze safaribroeken en zoemende camera’s rond een boom waarin mieren rondrennen. Wel interessant om mieren met pitjes van Rhino appels op hun rugjes te zien slepen. Sommige mieren werken beduidend harder dan andere mieren en de tragere doen me erg denken aan de volle tijdmedewerkers van het Zwolse postsorteercentrum of aan sommige luie allochtonen die vanuit de kantine van het Zwolse postsorteercentrum terug naar hun werkplek lopen. Er hangen ook een paar miertjes aan takjes om daar tot vlinders te verpoppen en op de een of andere manier doen ze me sterk denken aan volle tijdmedewerkers van het Zwolse postsorteercentrum die samen met andere volle tijdmedewerkers zitten te wachten tot de Randstad uitzendmier de rotzooi rond hun 25m lange sorteermachines heeft opgeruimd. Dan is zo’n wilde boskip natuurlijk tamelijk rücksichtsloos zoals die daar precies de uitzendmiertjes uit die boom pikt waardoor de overgebleven uitzendmiertjes plotseling met twee Rhino pitjes op hun zere rugjes moeten ronddraven. Ik begin er van te zweten maar dat kan ook komen door de nogal forse opmerking van enkele dames.

zullen we  afpijpen!

Vanwege autonoom zondige gedachten (zwarte cowboyhoedjes zijn klaarwakker) durf ik de eerste drie dagen niet onbevangen in hun richting te kijken maar het blijkt allemaal vrij onschuldig. Het voelt niet zo maar het blijkt dat ikzelf al twee volle weken strak afgepijpt door Nepal wandel. Oppijpen kan ook maar afpijpen is natuurlijk veel sportiever en je houdt de boel netjes.

Nog diezelfde middag worden we in een groene safari bus naar een grote olifantenkraal gereden voor een nieuwe jungletocht maar nu met olifanten. De opvallend grasrijke en met bos omgeven olifantenweide ligt naast een doorwadingsplek in de Prati rivier met het wildpark aan de overkant. Om makkelijk op zo’n olifanten rug te komen zijn er een aantal hoge houten steigers gebouwd vanwaar we vrij easy in het olifantenkrat stappen. Lastiger wordt het om dit samen met drie anderen te doen. Vrij krap is hier een eufemisme en ik voel een enorme behoefte aan een eigen olifant met hooguit een karretje erachter voor die anderen. In plaats daarvan moeten we ook nog gaan zitten en worden we met vier mensen in het kratje geprakt en geht’s los!

Het warme zweet van een volstrekt vreemde lekt in mijn nek zodat ik mijn ellenboog iets verder in zijn okselholte duw. Hij kreunt wel maar accepteert toch zodat ik nog wat verder duw voor een extra centimeter vakantievreugde. Dat ruimtelijke verlangen is nog afkomstig van een 12 uur durende reis onder de stoelen van een 2e klas treincoupe. Tot in Hauptbahnhof Basel lagen we strak in het stof voordat we besloten om in een eeuwigdurende regenbui terug te liften. En dat terwijl we voor eeuwig in Griekenland zouden blijven om kaas te eten en het karakter van heel veel meisjes te leren kennen. Onze ouders en baas zouden we nooit meer zien maar dat was helaas onvermijdelijk.

Nu is er tenminste boven de nek volop ruimte en het karakter van onze olifant is oké want we stappen zonder angst de lage Prati rivier in. De kaarten zijn qua onontdekte cm3 meteen geschud als we na het dalen vervolgens de andere oever weer opklauteren. Zo’n olifant werkt met zijn natuurlijke vering en ondanks de grapjes werkt dit systeem vrij goed voor passagiers (kom op zeg, je zit wel op de rug van een olifant middenin een jungle). We gaan het bos in en de bezwete hoofdhaartjes worden door stekelige boomkruinen direct mooi strak in de scheiding getrokken. Er zit een sleedoorntje in mijn oogbal maar de eerste dieren staan ons alvast op te wachten. Ze lopen niet weg omdat mensengeur nu door die van de olifant gemaskeerd wordt en de dieren die niet op een graspol lijken zien olifanten niet als bedreiging.

We zien herten, apen, weer die vervelende boskip, maar ook twee neushoorns. Ze staan te grazen en lijken volkomen relaxt terwijl ze door minimaal 15 olifanten in u-formatie omringd worden. De wild heen en weer dravende boskip doet wat ie kan maar is niet door naar de volgende ronde.

Als we opnieuw ergens een zijarm van de Prati oversteken hoor ik een enorme brul van een tijger/panter en ook de chauffeur voor me richt zijn blik erg lang in de richting van het geluid. Ik voel de wilde frisheid van limoenen door m’n bilnaad trekken en we blijven kijken. Op de oever fladdert en draaft een camerageile boskip maar verder blijft het rustig.

Zo’n tijger klinkt in het wild toch veel heftiger dan bij circus Billie en dan beginnen ook nog eens olifanten met elkaar te vechten. Vanuit het water zien we dat niet zelf maar net als bij mijn nachtelijke oeversessies ervaar je de geluiden rondom veel sterker dan anders. Je vergeet de zadelpijn en ervaart bewonderend naar de duizenden kilo’s kracht waarop je door de groene en van leven krioelende jungle wordt gedragen. Het is 1871 en ik Morton Stanley speur hier diep in de jungle naar de sporen van dr Livingstone….

Een totaal andere jungle maar met dezelfde intensiteit wacht ons enkele dagen later als we vanaf Chitwan naar Kathmandu terugreizen. Opnieuw 6-8 uur in de bus over de highway langs diepe afgronden en steile rotswanden maar nu ook in de file! Bijna kruipend over het slechte met gaten bedekte asfalt dat tot op de laatste meter bereden wordt door walmende en zwaar beladen colonnes Tata trucks op weg naar de Indiase grens. Door de trage voortgang in beide richtingen over een nogal smalle highway kan je bijna het soort etensresten tussen de tanden van de tegenliggers bepalen, zo dicht zit je er wel op.

Lachen, zwaaien en bijna tranen van ontroering om al die onbevangenheid waarmee wildvreemden elkaar in fracties van seconden ontmoeten. Complete gezinnen met kinderen en grootouders die allemaal in de kleine ruimte direct achter de cabines zitten. Blijkbaar is er geen loket voor begeleid verhuizen en hebben ze geen scootmobiel.  Je hebt echter nauwelijks tijd om erover na te denken want elke bocht en elke inhaalmanoeuvre is een avontuur op zich. Een passage langs een door zijn assen gezakte truck in een totaal onoverzichtelijke bocht gaat net goed. De mannen moeten ter plekke repareren, hoe dan ook.

Ergens verderop zie ik een verse truck tientallen meters lager in een kloof, rokend met de wielen omhoog en zeker nog vier trucks liggen er uitgeschakeld op hun zijkant naast de weg. We worden voortdurend ingehaald door ladingen geiten die allemaal voor hetzelfde offerfeestje zijn uitgenodigd. De geiten staan gezellig op de laadbakken én daken van vrachtwagens, pick-up trucks of busjes maar waterbuffels mogen natuurlijk ook mee. Niet op het dak maar gewoon lekker met z’n vijfentwintigen op de laadklep, houten krat eromheen getimmerd en buffelen maar. Zij worden niet geslacht zoals de geitjes maar samen met honderden andere buffels ritueel onthoofd op datzelfde feestje. Kan wel iets gaan bloeden natuurlijk maar dat is ook de bedoeling want dit offerbloed moet gesprenkeld worden over alles wat je dierbaar is. De auto, de fiets, de playstation maar ook de favoriete huisgod, wordt daarmee voorspoed gewenst. Ongewone en voor ons vreemde rituelen maar die ene geit die staand op het dak van een klein autootje als een volleerd zijspancoureur adequaat tegengewicht geeft in elke bocht blijft komisch.

Misschien een eerdere of latere bocht maar op diezelfde weg zien we ook een vrouw lopen die iets doet wat we allemaal al denken en een van ons met afschuw hardop roept…..zelfmoord! Ze loopt met ietwat trage en tegelijkertijd bewuste stappen midden tussen het toeterende verkeer en haar gezichtsuitdrukking lijkt zowel vreemd als gelaten. Dit gaat niet goed en meteen als we haar ontwijken zijn we de bocht om, meegesleurd door de eindeloze rij van vlees en metaal richting Kathmandu. De stad omarmt ons met wolken stof waarin honderden verlichte straatkraampjes en ambachtsmensen gebroederlijk naast elkaar opereren. Tussen twee bergen straatvuil deelt tafeltje dekje dampende brei uit aan de armen en zwaaien kinderen grimassend naar de vermoeide witte mensen in een luxe bus.

De bus wurmt zich door smalle steegjes langs aartsluie koeien, walmende motoren en zwoegende fietstaxi’s naar Thamel waar ons hotel staat. Op onze laatste avond zullen we volgens afspraak gezamenlijk dineren en ik zie er behoorlijk tegenop. Samen betekent een directe en uitputtende aanslag op je sociale vaardigheden en net als een kerkdienst duurt het heel lang. Ik kan een zeer been veinzen, onwel worden of mezelf 2x aderlaten maar ga natuurlijk gewoon mee. De laatste keer vegetarische dahl bath eten in een mooi tuinrestaurant met danseressen en brandende kaarsjes lijkt uitermate geschikt als decor voor interessante gespreksonderwerpen als dood en wat te doen?  Crematie, snijzaal of  toch gewoon begraven? Nu zelfs de slagersvakschool niet heeft gereageerd op m’n laatste aanbod van kiloknaller wordt het waarschijnlijk toch zwaar dokken maar….wat doe jij zo meteen? We komen er niet aan toe want het wordt gewoon erg gezellig met over en weer speeches en opmerkingen. Wel lastig dat die danseressen steeds dansen en je de muziek steeds hoort maar verder prima diner. Naar bed en morgen naar het Durbar-plein voor het slachtfeest. Die gedachte brengt me nog even op een lumineus idee om alsnog goedkoop van mijn stoffelijke resten af te komen.

Twee uur later sta ik alweer op straat vanwege een energieoverschot en ga een beetje dwalen. In gezelschap van mijn charmante assistente heb ik daar nooit last van maar zodra je s ’nachts alleen wandelt willen volkomen onbekenden je plotseling iets te roken aanbieden.

Nepali smoke sir, Ik rook niet eens maar my friend heeft ook nog een masserende vriendin in de aanbieding en ondanks het late tijdstip kan ik echt overal m’n geld kwijt. Vooralsnog hoef ik alleen koffie maar als de serveerster in actie komt weet ik instinctief dat het nachttarief is ingegaan.

Twee (sport)masseuses in hartstikke vlotte rokjes hoeven maar half de trap af om de geblesseerde clientèle te motiveren voor wat aangenaam fröbelwerk op het dakterras.

Oké dan zal het gebeuren ook maar eerst naar een van de vele apotheken die hier continue open zijn. Blérende muziek van opdringerige off-off discotheken en koffiebars wedijveren met honkende riksja’s  en toeterende Ta-ta minitaxi’s.

Yes sir, you want something, you want anything….?

Doet u maar twintig van deze tubes! De man kan maar negen tubetjes vinden en da’s nie genoeg voor mijn eigen dames (uitsluitend keurige hardloopmeisjes en frisse jongens). Gelukkig kan de volgende apotheker bijleveren en hij garandeert een optimale werking bij regelmatig rustig inwrijven op het zere plekje. De apotheker opent een flacon en laat me ruiken en ik ben direct enthousiast, heerlijk die zeelucht in Kathmandu. Met twintig tubes Moov balsem wandel ik tevreden naar het hotel terug en raak lichtjes uit koers als ik dat via een kortere weg doe. Tamelijk donker hier en weinig mensen op straat maar niet onveilig. Voor me loopt een jongetje van hooguit 8-10 jaar oud en hij sleept een kartonnen doos achter zich aan. Er zit vuilnis in die er bij de bodem langzaam uitvalt en verspreid raakt over de natgespoten straat. Het jongentje kijkt om en ziet de rotzooi achter zich en zijn hoofd zakt omlaag. Gedurende twee seconden staat hij moedeloos in die verlaten donkere steeg naar zijn verloren handelswaar te staren en sloft dan terug om het opnieuw te verzamelen. Je ziet het, registreert het en loopt even gemakkelijk door omdat je in de volgende steeg weer wat anders ziet dat even ongewoon is.

De volgende ochtend lig ik voor pampus op de bovenste treden van een hoge tempel en bekijk de optocht over het massaal bevolkte Durbarplein. Met de stopwatch meet ik hoelang levende hanen op hun kop kunnen hangen en ook hoelang twee Sadhu’s vriendelijk blijven kijken naar slecht/niet betalende toeristen waarmee ze zojuist gefotografeerd zijn. De hanen winnen en gaan door tot de dood erop volgt. Naast een slachtbank liggen vastgebonden geiten die nieuwsgierig aan onthoofde geitenkoppen snuffelen. Een jonge slagersknecht die iets vaags doet met een mes en een trappelende geit veegt het bloed van z’n handen en staat met twee stappen in de aangrenzende kapperszaak om iemand te gaan knippen. Dat boeit me direct en ik hoop op het moment waarin kapper en slager elkaars gereedschap gaan gebruiken maar helaas. Even later staat dezelfde jongeman echter weer opeens aan het vel van zijn vorige klant (de geit) te trekken. Hij laat een jongetje zien hoe het moet en daarna neemt dat ventje het zelf over en zet meteen z’n voet in het kruis van de geit om zodoende meer trekkracht te genereren. De oudere jongen tapt een kopje thee en gaat zitten kijken terwijl weer iemand anders de knipklant overneemt.

Zoals gezegd is de Nepalese werksfeer uitstekend en hoewel ik op de eerste dag toch vier euro voor vier granaatappels heb betaald accepteer ik achteloos een lekker banaantje dat me vriendelijk door een van de vele fruitventers wordt aangeboden. Eigenlijk wordt de pisang me zowat letterlijk door de strot gestouwd dus kauwen dan maar. Voordat hij er een gepeld mandarijntje achteraan kan schuiven trap ik op de rem. Oké doe maar iets voor 100 Roepie maar volgens de vingervlugge fruitventer zit ik dat bedrag nu net weg te kauwen.

Het is twintig oktober en over een paar uur slaan ze hier beneden ook nog honderd(den) buffels de kop af maar ik heb het wel gezien en bovendien moet ik nog echte Pasmina,- en Kashmir shawls inkopen, liefst zonder gezichtsverlies. Zonder enige moeite beweeg ik me door de wirwar van straatjes en steegjes en ervaar in het aller,- allersmerigste restaurant nog net hoe het voelt om letterlijk te moeten kokhalzen van iemands tafelmanieren. Je krijgt er spontaan tranen van in je ogen. Ik ga er niet uitgebreid op in maar ik zit samen met zeven mannen (uitbeners?) in een heel klein donker kolenhok iets lauws te eten. Met de handen natuurlijk maar dat doe ikzelf ook, nee het is vooral hun ongegeneerde gerochel en gespuug dat hier een algemene gewoonte is. Mijn disgenoten beoefenen de meest grove variant.

Bewaar het nog even, denk jemaar de muren hebben helaas dezelfde kleur als het eten en dat is geen toeval. Ik drink wat water uit een beker maar die blijkt achteraf voor algemeen gebruik om de vingers te ontvetten.

Dat ligt nu honderden luchtmijlen achter me en in schril contrast staat er nu een prima Chileens wijntje voor me op het tafeltje. Ik wil nog steeds gaan zingen maar misschien ijl ik wel en is een handoplegging door de zeer vriendelijke stewardess beter? Wellicht het laatste dan want even verderop zit een bijna twee meter hoge marine officier van de buitenlandse diplomatieke dienst waakzaam te zijn. Ik mag hem Willem noemen maar Willem kent het hele repertoire van Boudewijn de Groot woordelijk uit zijn hoofd en zingt ook beter. Nog één slokje wijn dan maar dat stijgt meteen naar m’n hoofd. Starend naar het halflege glas voor me moet ik mijn eigen beneveling vaststellen. Op 40.000 ft vlieghoogte ben ik nu heel dichtbij pa’s wens om mij tenminste één keer aangeschoten te zien. Toch is het op vlieghoogte welgeteld de tweede wijnpoging in 22 jaar en nu kom ik niet eens verder dan een half glas alvorens ik mezelf moet vastsnoeren. Als ik m’n ogen open weet ik niet wie de wijn heeft afgeruimd maar ik krijg een nieuwe glimlach en een warm doekje die ik allebei dankbaar accepteer.

Blue days, big sleep I’ m going home…..

 

 

[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]